Advocaten

Beroepsgeheim

12 januari 2017

Hij die tot het beroepsgeheim is gehouden, overtreedt artikel 458 Strafwetboek niet indien hij onder het beroepsgeheim vallende informatie meedeelt aan anderen die optreden met een zelfde doelstelling en ten aanzien van dezelfde opdrachtgever en die mededeling bovendien noodzakelijk en pertinent is voor de opdracht van de geheimhouder.
De rechter oordeelt onaantastbaar of het mededelen van onder het beroepsgeheim (art. 458 Sw.) vallende informatie pertinent en noodzakelijk is voor de opdracht van de geheimhouder. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
(Cass. (2e k.) AR P.11.1750.N, 13 maart 2012 (C.M.T.J.E.S. / P.G.P.L.B., M.G.S.), Arr.Cass. 2012, afl. 3, 651)

Foutnorm

12 januari 2017

De referentienorm voor het gemene aansprakelijkheidsrecht is de normale, redelijke en bedachtzame burger met de beperktheid van zijn eigen mogelijkheden, met zijn grenzen en onvolkomenheden, tekortkomingen en onvolmaaktheden, maar die een normale zorg aan zijn zaken besteedt. De goede huisvader is geen superman en zich vergissen is des mensen.

De rechtbank is het ook eens dat zijn handelswijze dient getoetst te worden op het ogenblik van zijn handelen en in functie van de toen gekende elementen, i.p.v. vanuit een retrograde beschouwing van de (gerechts)procedure die niet het verhoopte resultaat heeft opgeleverd. De fout mag niet zonder meer afgeleid worden uit de schade. Evenmin mag dit gebeuren met kennis van de achteraf verkregen wijsheid. De fout moet beoordeeld worden met de destijds geldende maatstaven en inzichten. De rechtbank dient de beweerdelijk foutieve gedraging te kaderen binnen de toenmalige wettelijke en jurisprudentiële context en de gebruiken binnen de beroepspraktijk.
(Rb. Brussel, 24e k) 9 september 2016, onuitg.)

Informatieplicht

12 januari 2017

De op de advocaat rustende verplichting tot spontane informatieverstrekking aan zijn cliënt heeft een suppletief karakter en strekt ertoe de onwetendheid van de cliënt aan te vullen, zodat er geen verplichting tot informatieverstrekking bestaat m.b.t. datgene wat de cliënt weet of behoort te weten op basis van zijn persoonlijke bekwaamheid en ervaring.
(Brussel (1e k) 17 september 2013, R.W. 2014-2015, 1311)

Informatieverplichting

12 januari 2017

Uit de regels van de bewijslast volgt dat de advocaat dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn cliënt in te lichten, en niet dat laatstgenoemde het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie hem niet werd gegeven.
(Cass. 25 juni 2015, Juristenkrant 2015 (weergave VANDENBUSSCHE, W., VERJANS, E.), afl. 320, 1 en 16; http://www.cass.be (26 juli 2015); JT 2016, afl. 6662, 609 en http://jt.larcier.be/ (9 november 2016), noot F.G.; RGAR 2015, afl. 9, nr. 15219, noot GLANSDORFF, F.; RW 2015-16, afl. 42, 1664 en http://www.rw.be/ (29 juni 2016), noot VANDENBUSSCHE, W.; T.Gez. 2015- 16, afl. 5, 368, noot LEMMENS, C.)

Kansverlies/schade

12 januari 2017

De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout.
Het verlies van een kans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat.
Enkel de economische waarde van de verloren kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of van het verloren voordeel. De rechter dient bij de beoordeling van de schadevergoeding rekening te houden met de graad van waarschijnlijkheid van de gunstige uitkomst van de kans.
(Cass. 21 oktober 2013, C.13.0124.N.)

Mandaat ad litem

12 januari 2017

De lastgeving om in rechte op te treden, die de bevoegdheid inhoudt om de opeenvolgende proceshandelingen te verrichten die nodig zijn voor de uitvoering ervan, blijft t.a.v. de lastgever en de procespartijen gelden zolang de ontkentenis niet is aangetoond.
Wanneer de eisers in ontkentenis van proceshandeling betreffende het instellen van een procedure niet betwisten dat de navolgende gestelde proceshandelingen zoals het neerleggen van het conclusie wel met hun goedkeuring gebeurden, dient de vordering in ontkentenis van proceshandeling voor alle proceshandelingen waarop zij betrekking heeft, ongegrond verklaard te worden.
(Cass. 30 april 2015, C.13.0094.F.)